Bijwoorden: vorming, soorten en trappen van vergelijking

A1 Επιρρήματα: σχηματισμός, είδη και παραθετικά 20 / 66

In het kort

Het Grieks vormt de meeste bijwoorden van wijze uit bijvoeglijke naamwoorden met één uitgang: -α. Neem het bijvoeglijk naamwoord, zet er -α op, en je hebt het bijwoord — καλός „goed” geeft καλά „goed”, γρήγορος „snel” geeft γρήγορα „snel”. De vorm ziet er precies uit als het onzijdig meervoud van het bijvoeglijk naamwoord, en dat is geen toeval: het ís het onzijdig meervoud, bevroren tot bijwoord.

Bijwoorden veranderen nooit: geen geslacht, geen getal, geen naamval. Zodra je καλά hebt, is dat de enige vorm die er is.

Daarnaast leer je vier korte, gesloten lijstjes gewoon uit het hoofd — plaats (εδώ, έξω, κοντά), tijd (τώρα, αύριο, ποτέ), wijze (καλά, μαζί, έτσι) en hoeveelheid (πολύ, λίγο, καθόλου). Bijwoorden hebben ook trappen van vergelijking, met dezelfde twee strategieën als bij bijvoeglijke naamwoorden: πιο γρήγορα of γρηγορότερα „sneller”.

De regel

1. Vorming: bijvoeglijk naamwoord + -α. Van elk bijvoeglijk naamwoord op -ος, -η/-α, -ο neem je de stam en voeg je -α toe. De klemtoon blijft staan waar die bij het bijvoeglijk naamwoord stond:

  • ήσυχος → ήσυχα „stil”
  • εύκολος → εύκολα „makkelijk”
  • ωραίος → ωραία „mooi”
  • ακριβός → ακριβά „duur”

2. De dubbelvormen op -α / -ως. Een aantal bijwoorden heeft ook een tweede vorm op -ως, geërfd uit de oudere schrijftaal. Drie dingen kunnen dan gebeuren:

  • De twee vormen betekenen hetzelfde en -ως is gewoon formeler: βέβαια / βεβαίως „natuurlijk”, τελικά / τελικώς „uiteindelijk”, σπάνια / σπανίως „zelden”.
  • Alleen de vorm op -ως overleeft in de alledaagse spreektaal: αμέσως „meteen”, ευτυχώς „gelukkig”, δυστυχώς „helaas”.
  • De twee vormen betekenen iets anders en je moet ze uit elkaar houden: ακριβά „duur” tegenover ακριβώς „precies”; άμεσα „rechtstreeks” tegenover αμέσως „meteen”; απλά „op een eenvoudige manier” tegenover απλώς „slechts, alleen maar”.

Let op: de vorm op -ως behoudt niet de klemtoon van het bijvoeglijk naamwoord, en die valt ook niet altijd op de uitgang: ακριβώς, απλώς, τελικώς, ευτυχώς, δυστυχώς dragen het accent op -ώς, maar αμέσως (van άμεσος) en βεβαίως (van βέβαιος) houden het één lettergreep eerder.

3. De vier soorten. Bijwoorden worden ingedeeld naar de vraag die ze beantwoorden: πού; (plaats), πότε; (tijd), πώς; (wijze), πόσο; (hoeveelheid). Onderstaande lijstjes zijn de A1-kern.

4. Plaats in de zin. Bijwoorden van hoeveelheid staan vóór het woord dat ze bepalen: πολύ καλά, αρκετά μεγάλο, λίγο κουρασμένος. Bijwoorden van wijze staan meestal na het werkwoord: Μιλάει καλά. Bijwoorden van tijd en plaats zijn beweeglijk — Σήμερα δουλεύω en Δουλεύω σήμερα zijn allebei goed; ze vooraan zetten legt er de nadruk op.

5. Trappen van vergelijking. Bijwoorden vergelijken precies als bijvoeglijke naamwoorden, maar de vergrotende trap eindigt op -ότερα in plaats van -ότερος:

  • analytisch: πιο + bijwoord — πιο ωραία, πιο γρήγορα
  • synthetisch: bijwoord op -ότερα — ωραιότερα, γρηγορότερα
  • elatief („heel …”): πολύ + bijwoord, of de vorm op -ότατα — πολύ ωραία / ωραιότατα

„Dan” is από + accusatief: Τρέχει πιο γρήγορα από μένα.

Een paar veelgebruikte bijwoorden vergelijken onregelmatig: καλά → καλύτερα, άσχημα → χειρότερα, πολύ → περισσότερο, λίγο → λιγότερο.

6. ποτέ en καθόλου hebben δεν nodig. Het Grieks gebruikt dubbele ontkenning. Een ontkennend bijwoord ontkent de zin niet op zichzelf — het werkwoord draagt nog steeds δεν: Δεν πάω ποτέ. Δεν κάνει καθόλου κρύο.

Vormen en patronen

Bijvoeglijk naamwoord → bijwoord. Het bijwoord is identiek aan het onzijdig meervoud:

M. ev.V. ev.O. ev.O. mv.BijwoordBetekenis
καλόςκαλήκαλόκαλάκαλάgoed
γρήγοροςγρήγορηγρήγορογρήγοραγρήγοραsnel
ωραίοςωραίαωραίοωραίαωραίαmooi
ήσυχοςήσυχηήσυχοήσυχαήσυχαstil
δύσκολοςδύσκοληδύσκολοδύσκολαδύσκολαmet moeite
ακριβόςακριβήακριβόακριβάακριβάduur

σιγά „langzaam, zachtjes” hoort er qua betekenis bij, maar wordt als kant-en-klaar woord geleerd (het bijvoeglijk naamwoord is σιγανός).

De dubbelvormen op -α / -ως:

vorm op -αvorm op -ωςOpmerking
απλάαπλώςαπλά „op een eenvoudige manier” tegenover απλώς „slechts, alleen maar” — verschillend
τελικάτελικώςzelfde betekenis „uiteindelijk, ten slotte”; de vorm op -α is de gesproken variant
σπάνιασπανίωςzelfde betekenis „zelden”; de vorm op -ως is de formele, geschreven variant
βέβαιαβεβαίως„natuurlijk”; beide gangbaar, de vorm op -ως formeler
άμεσααμέσωςάμεσα „rechtstreeks” tegenover αμέσως „meteen” — verschillend
ακριβάακριβώςακριβά „duur” tegenover ακριβώς „precies” — verschillend
—ευτυχώςgeen vorm op -α in gebruik
—δυστυχώςgeen vorm op -α in gebruik

De vier soorten:

TypeBijwoorden
Plaats (πού;)εδώ, εκεί, μέσα, έξω, πάνω, κάτω, κοντά, μακριά, μπροστά, πίσω
Tijd (πότε;)τώρα, σήμερα, αύριο, χθες, ήδη, ακόμα, πάντα, ποτέ, συχνά, σπάνια
Wijze (πώς;)καλά, άσχημα, μαζί, έτσι, γρήγορα, σιγά
Hoeveelheid (πόσο;)πολύ, λίγο, αρκετά, καθόλου, πάρα πολύ

Trappen van vergelijking:

Stellende trapVergrotende trap (analytisch)Vergrotende trap (synthetisch)Elatief
ωραίαπιο ωραίαωραιότεραωραιότατα / πολύ ωραία
γρήγοραπιο γρήγοραγρηγορότεραγρηγορότατα / πολύ γρήγορα
εύκολαπιο εύκολαευκολότεραευκολότατα / πολύ εύκολα
καλάπιο καλάκαλύτεραάριστα / πολύ καλά
άσχημαπιο άσχημαχειρότεραπολύ άσχημα
πολύ—περισσότερο, πιο πολύπάρα πολύ
λίγο—λιγότερο, πιο λίγοελάχιστα

Voorbeelden

ΕλληνικάNederlands
Ο Νίκος μιλάει πολύ γρήγορα.Nikos praat heel snel.
Η Άννα γράφει ωραία και καθαρά.Anna schrijft mooi en duidelijk.
Πού μένεις; — Εδώ κοντά, πίσω από την πλατεία.Waar woon je? Hier vlakbij, achter het plein.
Σήμερα δουλεύω, αύριο όχι.Vandaag werk ik, morgen niet.
Δεν πηγαίνω ποτέ στο θέατρο.Ik ga nooit naar het theater.
Το φαγητό δεν είναι καθόλου ακριβό.Het eten is helemaal niet duur.
Έλα αμέσως, σε παρακαλώ!Kom meteen, alsjeblieft!
Τελικά μένουμε σπίτι.Uiteindelijk blijven we thuis.
Μιλάει αρκετά καλά ελληνικά.Hij spreekt behoorlijk goed Grieks.
Τραγουδάς καλύτερα από μένα.Jij zingt beter dan ik.
Πάμε μαζί στην αγορά;Zullen we samen naar de markt gaan?
Έτσι είναι πάντα τον Αύγουστο.Het is altijd zo in augustus.
Πώς είσαι; — Πολύ καλά, ευχαριστώ.Hoe gaat het met je? Heel goed, dank je.
Το τρένο φεύγει σπάνια στην ώρα του.De trein vertrekt zelden op tijd.

Veelgemaakte fouten

  • Μιλάει καλός. -> Μιλάει καλά. — Een werkwoord wordt bepaald door een bijwoord, niet door een bijvoeglijk naamwoord; καλός zou moeten overeenstemmen met een zelfstandig naamwoord.
  • Πώς είσαι; — Είμαι καλός. -> Είμαι καλά. — Met είμαι betekent καλά „goed, gezond”; Είναι καλός betekent „hij is een goed/aardig persoon” — een uitspraak over karakter, niet over hoe het met iemand gaat.
  • Είναι πολλή ωραία. -> Είναι πολύ ωραία. — Het bijwoord πολύ „heel” verandert nooit. πολλή is het vrouwelijke bijvoeglijk naamwoord „veel” (πολλή δουλειά), een ander woord met een andere spelling.
  • Πηγαίνω ποτέ εκεί. -> Δεν πηγαίνω ποτέ εκεί. — ποτέ heeft δεν bij het werkwoord nodig; zonder dat is de zin niet ontkennend.
  • Είναι καθόλου κρύο. -> Δεν είναι καθόλου κρύο. — Dezelfde regel: καθόλου „helemaal” werkt alleen bij ontkenning.
  • Το εισιτήριο κοστίζει ακριβώς. -> Το εισιτήριο κοστίζει ακριβά. — ακριβώς betekent „precies”; het bijwoord van wijze „duur” is ακριβά.
  • Τρέχει πιο γρηγορότερα. -> Τρέχει πιο γρήγορα. / Τρέχει γρηγορότερα. — Kies één vergrotende trap; stapel nooit πιο op een vorm die al op -ότερα staat.
  • Είναι καλύτερα από εγώ. -> Είναι καλύτερα από μένα. — από staat met de accusatief, dus het sterke voornaamwoord is μένα.

Tips

  • Eén regel dekt het meeste: bijvoeglijk naamwoord op -ος → bijwoord op -α, gespeld en beklemtoond als het onzijdig meervoud. Kun je τα καλά παιδιά zeggen, dan ken je meteen het bijwoord καλά.
  • Houd het paar ακριβά / ακριβώς in je hoofd als waarschuwing: de vorm op -ως is niet automatisch „hetzelfde woord, maar formeler”.
  • πολύ (bijwoord, „heel / veel”) en πολλή (vrouwelijk bijvoeglijk naamwoord, „veel”) klinken hetzelfde maar worden anders gespeld. Staat het woord ernaast een werkwoord, een bijvoeglijk naamwoord of een ander bijwoord, schrijf dan πολύ.
  • Leer ποτέ en καθόλου samen met δεν, als vaste combinaties: δεν … ποτέ, δεν … καθόλου. Zo kun je δεν niet vergeten.
  • Bijwoorden van hoeveelheid stapel je gewoon: πάρα πολύ καλά „uitzonderlijk goed”, λίγο πιο γρήγορα „een beetje sneller”.
  • In de spreektaal is de analytische vergrotende trap πιο + bijwoord verreweg het gewoonst; vormen op -ότερα klinken iets geschrevener, behalve καλύτερα en χειρότερα, die alledaags zijn.
  • Let op het bijwoord op -α dat ook als onzijdig meervoud bijvoeglijk naamwoord kan dienen: Τα ελληνικά είναι εύκολα (bijvoeglijk naamwoord, congruent) tegenover Μαθαίνω εύκολα (bijwoord). De woorden zijn identiek; alleen de zin vertelt je welke van de twee het is.