Präteritum (onvoltooid verleden tijd)

A2 Präteritum 24 / 52

In het kort

Het Präteritum is de verleden tijd in één woord. Het is de standaard geschreven verleden tijd (verhalen, verslagen, nieuws), maar in de spreektaal gebruiken Duitsers het alleen voor een handjevol heel gangbare werkwoorden: sein -> war, haben -> hatte, werden -> wurde, en de modale werkwoorden (konnte, musste, wollte, sollte, durfte, mochte). Voor de meeste andere werkwoorden gebruikt de spreektaal het Perfekt (les 19).

De regel

Het Präteritum is één persoonsvorm op de tweede plaats — er is geen hulpwerkwoord en geen voltooid deelwoord. Drie werkwoordgroepen gedragen zich verschillend:

1. De werkwoorden van de spreektaal — leer deze als vaste vormen; je zult ze voortdurend gebruiken:

Persoonseinhabenwerdenkönnenmüssen
ichwarhattewurdekonntemusste
duwarsthattestwurdestkonntestmusstest
er/sie/eswarhattewurdekonntemusste
wirwarenhattenwurdenkonntenmussten
ihrwarthattetwurdetkonntetmusstet
sie/Siewarenhattenwurdenkonntenmussten

Let op: de modale werkwoorden verliezen hun umlaut in het Präteritum: können -> konnte, müssen -> musste, dürfen -> durfte, mögen -> mochte (met -ch-); wollen -> wollte en sollen -> sollte hadden er nooit een.

2. Zwakke (regelmatige) werkwoorden = stam + -te + uitgang. Het kenmerk is -te-. Belangrijk: ich en er/sie/es krijgen geen extra uitgang:

Persoonmachen -> mach-uitgang
ichmachte-te
dumachtest-test
er/sie/esmachte-te
wirmachten-ten
ihrmachtet-tet
sie/Siemachten-ten

Als de stam eindigt op -t of -d (of een lastige medeklinkercluster), voeg dan voor de uitspraak een -e- toe: arbeiten -> arbeitete, reden -> redete, öffnen -> öffnete.

3. Sterke (onregelmatige) werkwoorden veranderen de stamklinker en krijgen, net als de zwakke werkwoorden, geen uitgang bij ich en er/sie/es. De klinkerwisseling moet je per werkwoord leren: gehen -> ging, kommen -> kam, fahren -> fuhr, sehen -> sah.

Vormen en patronen

De uitgangen zijn hetzelfde voor zwakke en sterke werkwoorden — alleen de stam verschilt (zwak voegt -te- toe, sterk verandert de klinker):

Persoonzwak: machensterk: gehenuitgang
ichmachteging(geen)
dumachtestgingst-st
er/sie/esmachteging(geen)
wirmachtengingen-(e)n
ihrmachtetgingt-t
sie/Siemachtengingen-(e)n

Veelvoorkomende sterke werkwoorden om te onthouden (vorm bij ich/er getoond):

InfinitivPräteritumVertaling
gehengingging
kommenkamkwam
fahrenfuhrreed/ging
sehensahzag
gebengabgaf
findenfandvond
schreibenschriebschreef
nehmennahmnam
sprechensprachsprak
essenaßat
trinkentrankdronk
stehenstandstond

Voorbeelden

DeutschNederlands
Ich war gestern sehr müde.Ik was gisteren erg moe.
Wir hatten leider keine Zeit.Helaas hadden we geen tijd.
Ich musste am Wochenende arbeiten.Ik moest in het weekend werken.
Als Kind wollte er Pilot werden.Als kind wilde hij piloot worden.
Sie fuhr mit dem Zug nach Hamburg.Ze ging met de trein naar Hamburg.
Der Brief kam erst am Montag.De brief kwam pas op maandag.
Ich arbeitete drei Jahre in Berlin.Ik werkte drie jaar in Berlijn.
Plötzlich wurde es ganz still.Plotseling werd het helemaal stil.

Veelgemaakte fouten

  • ich machtee / er machtte -> ich machte, er machte — zwak ich en er/sie/es krijgen geen extra uitgang na -te.
  • ich gingte / er kamte -> ich ging, er kam — sterke werkwoorden veranderen de klinker en voegen geen -te- toe; meng de twee nooit.
  • ich könnte arbeiten (betekent „ik kon / was in staat”) -> ich konnte arbeiten — de verleden tijd van het modale werkwoord verliest zijn umlaut; könnte is de Konjunktiv („zou kunnen”, les 37).
  • er arbeitete geschreven als er arbeitte -> er arbeitete — stammen op -t/-d hebben de verbindings--e- nodig (-ete).
  • Ich war gegangen ins Kino -> Ich ging ins Kino / Ich bin ins Kino gegangen — meng Präteritum en Perfekt niet; kies één tijd.

Tips

  • Vuistregel voor de spreektaal: gebruik het Präteritum voor sein, haben, werden en de modale werkwoorden; voor bijna al het andere in een gesprek gebruik je het Perfekt (les 19). In de geschreven taal overheerst het Präteritum.
  • Een spellingsaanwijzing: zie je -te- in het midden, dan is het een zwak werkwoord; een veranderde klinker zonder -te- betekent dat het sterk is.
  • De vormen voor ich en er/sie/es zijn in het Präteritum altijd identiek — dat geldt voor elk werkwoord (war/war, machte/machte, ging/ging).
  • Sterk Präteritum en Partizip II delen vaak een klinker (kam — gekommen, schrieb — geschrieben), dus ze samen leren scheelt moeite.