Aanwijzende voornaamwoorden: this/that/these/those
A1 Demonstratives: this/that/these/those 6 / 50
In het kort
Gebruik this/that/these/those om naar dingen te wijzen en te zeggen of ze dichtbij jou zijn of ver van jou vandaan. This en these betekenen dichtbij (hier, nu); that en those betekenen ver weg (daar, toen, afgelopen).
De regel
Aanwijzende voornaamwoorden doen twee dingen:
- Bijvoeglijk gebruikt — vóór een zelfstandig naamwoord: this book, those cars.
- Zelfstandig gebruikt — alleen, zonder zelfstandig naamwoord erna: This is nice. What are those?
Ze vertellen je twee dingen tegelijk:
- Aantal: enkelvoud of meervoud.
- Afstand: dichtbij de spreker of ver van de spreker.
| Dichtbij (hier / nu) | Ver weg (daar / toen) | |
|---|---|---|
| Enkelvoud | this | that |
| Meervoud | these | those |
Wanneer je ze met een zelfstandig naamwoord gebruikt, volgt het zelfstandig naamwoord direct: this apple, these apples, that man, those men. De vorm moet overeenkomen met het aantal van het zelfstandig naamwoord: enkelvoudig zelfstandig naamwoord -> this/that; meervoudig zelfstandig naamwoord -> these/those.
Veelvoorkomende, alledaagse toepassingen:
- Aanwijzen: Look at that bird! I like these shoes.
- Mensen voorstellen: This is my friend Sam. These are my parents.
- Aan de telefoon: Hello, this is Anna. Who’s that? (Je zegt this voor jezelf, that voor de andere persoon.)
- Terugverwijzen naar een idee dat je net gezegd of gehoord hebt: That’s a good idea. That’s why I’m tired.
Om herhaling van een zelfstandig naamwoord te vermijden, gebruik je one (enkelvoud) of ones (meervoud): I like this one. The red ones are mine. Not that one - this one. Een zelfstandig gebruikt aanwijzend voornaamwoord kan ook nader bepaald worden door een woordgroep erna in plaats van door een zelfstandig naamwoord — je hebt dan ones niet ook nog nodig: These are mine; those on the shelf are yours. Those of us who cycle leave earlier.
Vormen en patronen
| Patroon | Enkelvoud | Meervoud |
|---|---|---|
| Bijvoeglijke vorm + zelfstandig naamwoord | this car / that car | these cars / those cars |
| Zelfstandige vorm (alleen) | This is good. / That is good. | These are good. / Those are good. |
| Zelfstandige vorm + woordgroep | What’s that in the box? (zeg in een bewering the one in the box) | these on the shelf / those near the door |
| Met one/ones | this one / that one | these ones / those ones |
| Verkorte vorm (zelfstandige vorm + be) | that’s = that is | (geen gangbare verkorte vorm voor these/those) |
Nuttige vraagvormen:
- What’s this? / What’s that? (één ding)
- What are these? / What are those? (meer dan één ding)
Voorbeelden
| English | Opmerking |
|---|---|
| This coffee is hot. | Enkelvoudig zelfstandig naamwoord, dichtbij de spreker. |
| These keys are mine. | Meervoudig zelfstandig naamwoord, dichtbij de spreker. |
| Can you see that house on the hill? | Enkelvoud, ver weg. |
| Look at those birds in the sky! | Meervoud, ver weg. |
| This is my sister, Mia. | Een persoon voorstellen die dichtbij is. |
| Hello, this is Anna. Who’s that? | Aan de telefoon: this = ik, that = jij. |
| That’s a great idea! | Terugverwijzen naar iets dat net gezegd is. |
| I don’t want the blue cup - I want this one. | one vervangt „cup” om herhaling te vermijden. |
Veelgemaakte fouten
- I like these car. -> I like this car. — enkelvoudig zelfstandig naamwoord heeft this/that nodig, niet these/those.
- Look at this birds. -> Look at these birds. — meervoudig zelfstandig naamwoord heeft these/those nodig.
- What is those? -> What are those? — een aanwijzend voornaamwoord in het meervoud neemt een werkwoord in het meervoud.
- Is this John? (aan de telefoon, vragend naar de andere persoon) -> Is that John? — de persoon aan de andere kant van de lijn is that, niet this.
- I want the red one. (over meerdere) -> I want the red ones. — gebruik ones voor het meervoud.
Tips
- Ezelsbruggetje: this en these horen bij here; that en those horen bij there.
- Tel eerst, kies dan: één ding = this/that; meer dan één = these/those.
- Aan de telefoon ben jij altijd this (This is Anna) en is de andere persoon that (Who’s that?).
- Gebruik that’s om op ideeën te reageren: That’s true. That’s why. That’s a good question.