Bezittelijke voornaamwoorden: bijvoeglijk en zelfstandig gebruik
A1 Possessive determiners & pronouns 5 / 50
In het kort
Gebruik een bezittelijk voornaamwoord bijvoeglijk (my, your, his, her, its, our, their) vóór een zelfstandig naamwoord om te zeggen van wie iets is. Gebruik een bezittelijk voornaamwoord zelfstandig (mine, yours, his, hers, ours, theirs) alleen, zonder zelfstandig naamwoord erna.
De regel
We hebben twee sets woorden om te laten zien van wie iets is.
1. Bijvoeglijk gebruikte bezittelijke voornaamwoorden komen altijd vóór een zelfstandig naamwoord:
| Eigenaar | Bijvoeglijke vorm | Voorbeeld |
|---|---|---|
| I | my | my phone |
| you | your | your name |
| he | his | his car |
| she | her | her bag |
| it | its | its colour |
| we | our | our house |
| they | their | their dog |
2. Zelfstandig gebruikte bezittelijke voornaamwoorden staan alleen. Er komt geen zelfstandig naamwoord na, omdat ze het zelfstandig naamwoord vervangen:
| Eigenaar | Zelfstandige vorm | Voorbeeld |
|---|---|---|
| I | mine | It’s mine. |
| you | yours | Is this yours? |
| he | his | The book is his. |
| she | hers | The bag is hers. |
| we | ours | This table is ours. |
| they | theirs | The dogs are theirs. |
Let op: its heeft geen zelfstandig gebruikte vorm, en his is in beide groepen hetzelfde.
De overeenstemming is met de EIGENAAR, niet met het bezit. Kies het woord door te kijken naar wie de eigenaar is:
- Anna loves her job. (Anna is vrouwelijk -> her)
- Tom loves his job. (Tom is mannelijk -> his)
- The dog wags its tail. (de hond is „it” -> its)
In veel andere talen komt de vorm overeen met het zelfstandig naamwoord (het bezit). In het Engels is dat nooit zo — alleen de eigenaar telt.
its versus it’s. Deze klinken hetzelfde maar betekenen iets anders:
- its = bezittelijk (van iets): The cat licked its paw.
- it’s = it is of it has: It’s cold today. / It’s stopped raining.
Snelle test: als je „it is” of „it has” kunt zeggen, schrijf je it’s (met de apostrof). Zo niet, schrijf je its.
whose vraagt of vertelt wie de eigenaar van iets is:
- Vraag: Whose is this? / Whose car is that?
- Betrekkelijk: That’s the man whose dog barks all night.
Vormen en patronen
| Onderwerpsvorm | Bijvoeglijke vorm (+ zelfstandig naamwoord) | Zelfstandige vorm (alleen) |
|---|---|---|
| I | my | mine |
| you | your | yours |
| he | his | his |
| she | her | hers |
| it | its | - |
| we | our | ours |
| they | their | theirs |
own. Zet own tussen een bijvoeglijk bezittelijk voornaamwoord en zijn zelfstandig naamwoord om „en niemand anders” toe te voegen — her own desk, its own logo. Het volgt nooit op een zelfstandig gebruikt voornaamwoord: zeg my own room, niet mine own room.
Twee nuttige patronen:
- a/an + zelfstandig naamwoord + of + mine/yours/… = één van meerdere: She is a friend of mine. (= één van mijn vrienden)
- Whose + zelfstandig naamwoord + is this/are these? om naar een eigenaar te vragen: Whose keys are these? — They’re mine.
Geen apostrof in hers, yours, its, ours, theirs. (De ‘s-bezitsvorm bij zelfstandige naamwoorden — Anna’s job — werd behandeld in Zelfstandige naamwoorden: meervoud en bezits-’s.)
Voorbeelden
| English | Opmerking |
|---|---|
| This is my umbrella, not yours. | bijvoeglijke vorm vóór een zelfstandig naamwoord (umbrella) |
| Is this seat yours? | zelfstandige vorm, staat alleen, geen zelfstandig naamwoord erna |
| The children finished their homework. | eigenaar = they -> their |
| Maria called her sister. | eigenaar = Maria (vrouwelijk) -> her |
| Daniel lost his keys at work. | eigenaar = Daniel (mannelijk) -> his |
| The company changed its logo. | eigenaar = it (het bedrijf) -> bezittelijk its |
| It’s my birthday today. | it’s = it is, met een apostrof |
| Whose jacket is on the chair? | whose vraagt wie de eigenaar is |
Veelgemaakte fouten
- her car (wanneer de eigenaar mannelijk is) -> his car — stem af op de eigenaar, niet op het zelfstandig naamwoord.
- The dog hurt it’s leg. -> its leg — het bezittelijke its heeft geen apostrof.
- Its a nice day. -> It’s a nice day — hier betekent het „it is”, dus gebruik it’s.
- This book is your. -> This book is yours — de zelfstandige vorm is yours.
- That is hers’ bag / a bag of her -> That is her bag / That is hers / a bag of hers — hers krijgt nooit een apostrof, en het staat alleen: gebruik her vóór een zelfstandig naamwoord, hers na of.
Tips
- Eenregelige regel: bijvoeglijke vorm + zelfstandig naamwoord (my book) versus zelfstandige vorm alleen (It’s mine).
- Zeg bij its/it’s de zin met „it is”. Als die nog steeds klopt, heb je de apostrof nodig (it’s).
- De bezittelijke woorden hers, yours, its, ours, theirs krijgen nooit een apostrof — de apostrof hoort alleen bij it’s (= it is/has).
- Het woord dat je kiest hangt af van de eigenaar: he -> his, she -> her, it -> its, they -> their.