Bijwoorden & bijwoorden van frequentie

A1 Adverbs & adverbs of frequency 11 / 50

In het kort

Een bijwoord vertelt ons hoe, hoe vaak, hoeveel, wanneer of waar iets gebeurt. Veel bijwoorden komen van een bijvoeglijk naamwoord + -ly (quick -> quickly), en frequentiewoorden zoals always en never staan voor het hoofdwerkwoord, maar na be.

De regel

Bijwoorden voegen informatie toe aan een werkwoord (en bijwoorden van graad aan een bijvoeglijk naamwoord). Er zijn enkele nuttige types.

1. Bijwoorden van wijze (hoe?) — meestal bijvoeglijk naamwoord + -ly.

Bijvoeglijk naamwoordBijwoordVoorbeeld
quickquicklyShe walks quickly.
carefulcarefullyDrive carefully.
slowslowlyHe speaks slowly.

Sommige zijn onregelmatig en krijgen geen -ly:

Bijvoeglijk naamwoordBijwoordOpmerking
goodwellShe sings well. (niet sings good)
fastfastThey run fast. (zelfde woord)
hardhardHe works hard. (zelfde woord)

Maar na een koppelwerkwoord — be, look, taste, feel, sound, seem, get — is het woord dat het onderwerp beschrijft een bijvoeglijk naamwoord, geen bijwoord op -ly: This tea tastes good. / You look tired. (Zie Bijvoeglijke naamwoorden (+ volgorde van bijvoeglijke naamwoorden).)

Let op: hardly is een ander woord dat bijna niet betekent: I hardly know him. (= ik ken hem bijna niet).

2. Bijwoorden van frequentie (hoe vaak?) — always, usually, often, sometimes, rarely, never. Positie:

  • Voor het hoofdwerkwoord: I always walk to work.
  • Na het werkwoord be: She is always late.
  • Na een hulpwerkwoord / have: I have never been there.

100% always > usually > often > sometimes > rarely > never 0%

3. Bijwoorden van graad (hoeveel?) — very, really, too, quite, a bit. Ze staan voor het bijvoeglijk naamwoord: very good, really happy, too small, quite cold, a bit tired. Too betekent „meer dan goed is”: This coffee is too hot (= ik kan het niet drinken).

4. Bijwoorden van tijd en plaats (wanneer? waar?) — yesterday, today, now, here, there, every day. Ze staan meestal aan het begin of eind van een zin: I saw her yesterday. / Every day we have lunch at one.

Vormen en patronen

TypeVraagGebruikelijke positieVoorbeeld
WijzeHoe?na het werkwoord / voorwerpHe drives slowly.
FrequentieHoe vaak?voor het hoofdwerkwoord, na beShe often reads. / He is often busy.
GraadHoeveel?voor het bijvoeglijk naamwoordIt’s very cold.
Tijd / plaatsWanneer? Waar?begin of eindWe go there every day.

Spelling van -ly:

RegelVoorbeeld
De meeste bijvoeglijke naamwoorden: voeg -ly toeslow -> slowly, nice -> nicely
-y -> -ilyhappy -> happily, easy -> easily
-le -> -lysimple -> simply, gentle -> gently

Vergrotende trap van bijwoorden op -ly gebruikt more: more quickly, more often, more carefully. Bijwoorden met dezelfde vorm als het bijvoeglijk naamwoord krijgen -er: fast -> faster, hard -> harder, soon -> sooner. Can you speak more slowly? (Zie Vergrotende en overtreffende trap.)

Voorbeelden

EnglishOpmerking
Please speak slowly; I don’t understand fast English.Bijwoord van wijze: hoe je spreekt.
My brother plays the guitar really well.Onregelmatig: well is het bijwoord van good.
I always drink coffee in the morning.Frequentiebijwoord voor het hoofdwerkwoord.
He is never angry with the children.Na be komt het bijwoord op de tweede plaats.
We have often visited that museum.Na het hulpwerkwoord have.
This box is too heavy for me.Graad: too = meer dan goed is.
The film was very long but quite funny.Twee bijwoorden van graad voor bijvoeglijke naamwoorden.
She called me yesterday.Tijdsbijwoord aan het eind van de zin.

Veelgemaakte fouten

  • She sings good. -> She sings well. — na een actiewerkwoord heb je het bijwoord well nodig, niet het bijvoeglijk naamwoord good.
  • I drink always tea. -> I always drink tea. — zet het frequentiebijwoord voor het hoofdwerkwoord.
  • She always is late. -> She is always late. — bij be komt het bijwoord erna.
  • He speaks English very fastly. -> He speaks English very fast. — fast is al een bijwoord; er bestaat geen fastly.
  • Can you talk more slowlier? -> Can you talk more slowly? — de vergrotende trap van bijwoorden gebruikt more, niet -er.

Tips

  • Veel bijwoorden = bijvoeglijk naamwoord + -ly. Als een woord een werkwoord (een actie) beschrijft, gebruik dan de -ly-vorm: a quick car (bijvoeglijk naamwoord) vs drive quickly (bijwoord).
  • Leer het paar uit je hoofd: good is het bijvoeglijk naamwoord (hoe is het? — The food is good.), well is het bijwoord (hoe doet ze het? — She cooks well.).
  • Vuistregel voor frequentie: „voor het hoofdwerkwoord, na be.” Test het met am/is/are: I am always…, She is never…
  • Very en too zijn niet hetzelfde: very hot is gewoon heet; too hot is een probleem (meer dan je wilt).