poly
HomeInventoryPracticeTalkReadNotes

Course

🇬🇧English(my language, change)
Loading...

A1

  • 1 Präsens (Gegenwart) Tegenwoordige tijd
  • 2 Zijn und hebben (Präsens) Zijn & hebben
  • 3 Artikel und Genus der Nomen (de/het/een) Lidwoorden de/het/een
  • 4 Plural der Nomen Meervoud van zelfstandige naamwoorden
  • 5 Personalpronomen als Subjekt Persoonlijk voornaamwoord (onderwerp)
  • 6 Wortstellung im Hauptsatz (SVO, V2 und Inversion) Woordvolgorde hoofdzin
  • 7 Verneinung: niet und geen Ontkenning (niet/geen)
  • 8 Kardinalzahlen Hoofdtelwoorden
  • 9 Ordinalzahlen Rangtelwoorden
  • 10 Ja/Nein-Fragen Ja/nee-vragen
  • 11 Fragewörter Vraagwoorden
  • 12 Nebenordnende Konjunktionen Nevenschikkende voegwoorden
  • 13 Personalpronomen als Objekt Persoonlijk voornaamwoord (voorwerp)
  • 14 Possessivpronomen Bezittelijk voornaamwoord
  • 15 Demonstrativpronomen (deze/die/dit/dat) Aanwijzend voornaamwoord
  • 16 Adjektivdeklination Verbuiging van het bijvoeglijk naamwoord
  • 17 Adverbien (graag/liever, al/nog) Bijwoorden
  • 18 Diminutive Verkleinwoorden
  • 19 Präpositionen (Ort, Zeit, Richtung) Voorzetsels
  • 20 Imperativ Gebiedende wijs
  • 21 Modalverben Modale werkwoorden
  • 22 Perfekt (+ Wahl von hebben/zijn) Voltooid tegenwoordige tijd (perfectum)

A2

  • 23 Präteritum/Imperfekt (schwache und starke Verben) Onvoltooid verleden tijd (imperfectum)
  • 24 Plusquamperfekt Voltooid verleden tijd
  • 25 Futur (gaan und zullen) Toekomende tijd
  • 26 Komparativ und Superlativ Trappen van vergelijking
  • 27 Trennbare Verben Scheidbare werkwoorden
  • 28 Untrennbare Verben Onscheidbare werkwoorden
  • 29 Reflexive Verben & Pronomen (+ elkaar) Wederkerend voornaamwoord & werkwoord
  • 30 Te + Infinitiv (+ om...te) Te + infinitief
  • 31 Verb + reiner Infinitiv Werkwoord + infinitief
  • 32 Verlaufsform: aan het + Infinitiv Aan het + infinitief (duurvorm)
  • 33 Positions- und Platzierungsverben Positie- & plaatsingswerkwoorden
  • 34 Indefinitpronomen und Mengenwörter Onbepaald voornaamwoord
  • 35 Unterordnende Konjunktionen und Wortstellung im Nebensatz Onderschikkende voegwoorden
  • 36 Das Wort er (alle vier Funktionen) Het woord er

B1

  • 37 Relativsätze Betrekkelijke bijzin
  • 38 Konjunktiv II und Irrealis (zou) Voorwaardelijke wijs
  • 39 Präteritum oder Perfekt: Gebrauch Imperfectum of perfectum
  • 40 Feste Präpositionen Vaste voorzetsels
  • 41 Unpersönliche Verben und het Onpersoonlijke werkwoorden
  • 42 Passiv Lijdende vorm (passief)
  • 43 Wortzusammensetzung Samenstellingen

B2

  • 44 Ableitung und Wortbildung Afleiding
  • 45 Partizipien als Attribut Deelwoorden als bijvoeglijk naamwoord
  • 46 Modalpartikeln Modale partikels
  • 47 Verbalkomplex am Satzende Werkwoordelijke eindgroep (groene/rode volgorde)

C1

  • 48 Erstarrte Kasusformen Naamvallen

Pick a different course to continue

Your course is the language you already speak, so there is nothing to translate. Choose another course below.